maandag 4 november 2013

Geen man overboord




Een storm van verlangen
raast wervelend door mijn hoofd,
giert door mijn gedachten,
blaast mij alle kanten op.

Krampachtig biedt ik weerstand,
doch vergeefs sta ik te wachten
dat deze storm snel overwaait,
kalmpjes weer gaat liggen,

mijn hoofd te rusten laat.
De stilte voor de storm,
was toen ik jou niet kende,
jij was nog buitengaats.

Tot plots een windvlaag mijn gezicht beroert,
jou in haar kielzog met zich meevoert,
mij gijzelt in een onuitwisbare glimlach,
mijn gedachten bliksemsnel ontvoert.

Omvergeblazen besef ik veel te snel
dat ik mij in zwaar weer bevindt,
waar golven van emotie mij dreigen te verdrinken.
Zinloos wacht ik op de zon,

jij als regenboog vol kleur in mijn leven,
zodat ik me in jouw liefde kan bedrinken.
Stormachtig verlangen onbeantwoord,
zie ik hoe het op de klippen loopt,

schipbreuk lijdend,
al zaten we samen nog niet eens aan boord.
Verlies ik je, geef ik je over aan de storm,
bevindt mij in een draaikolk van verdriet, ...

In nachtelijk ontij verweven,
ontwaak ik, badend in mijn zweet,
als overvallen door de moesson,
de donderslag bij heldere hemel die mij deed beven.

Draai ik me langzaam om in bed,
aangenaam verrast door jouw aanwezigheid,
geef ik je snel een kus,
en laat de storm maar wat bedaren.


Hensem Poèt / 04-11-2013